Diepte- en stroommetingen [fuzzy]Deel 1

Volgen

TruDepth™

De RD8100-kabelzoeker biedt automatische dieptemeting van ondergrondse kabels, leidingen en sondes wanneer de kabelzoeker correct georiënteerd is boven de doellijn of sonde.

Stroommetingen worden ook tegelijkertijd weergegeven als de kabelzoeker correct georiënteerd is (functie niet beschikbaar in sonde of passieve modes).

Diepte- en stroommetingen worden automatisch tegelijkertijd weergegeven, maar als de kabelzoeker niet correct georiënteerd is, worden er geen metingen weergegeven.

Dieptebereik en nauwkeurigheid verschillen, afhankelijk van het model en type van de doellijn (bijv. kabel, leiding of sonde), de diepte en externe omgevingsfactoren als elektromagnetische ruis, grondcondities en storing. cable, pipe or sonde), its depth and external environmental factors like electromagnetic noise, ground conditions and interference.

[fuzzy][fuzzy]WAARSCHUWING! De nauwkeurigheid van dieptemetingen is onderhavig aan een aantal factoren en dient alleen ter referentie. Gebruik de dieptemeting nooit om mechanische graafdieptes te bepalen. Volg altijd veilige lokale graafrichtlijnen.

De dieptemeting is tot het hart van de pijpleiding, kabel of sonde. De beste metingen worden meestal gedetecteerd van 'actieve' signalen die worden afgegeven door een zender in plaats van door passieve bronnen.

De RD8100-kabelzoeker kan de kabeldiepte vaststellen bij het lokaliseren van passieve voedingssignalen. Maar passieve signalen op lijnen zijn echter minder geschikt voor het meten van diepte, omdat de nauwkeurigheid twijfelachtig is omdat het passieve signaal aanwezig is op meerdere lijnen.

[fuzzy]WAARSCHUWING! Doe geen dieptemetingen in de buurt van bochten of T-stukken in de lijn. Ga op ten minste 5 meter van een bocht staan voor de beste nauwkeurigheid.

TruDepth voor ondergrondse geleiders of sondes

TruDepth en kompas

Het is belangrijk op te merken dat de RD8100-kabelzoeker alleen diepte en stroom (in toepasbare modi) weergeeft als de kabelzoeker juist georiënteerd is boven de doellijn, kabel of sonde. Om te zorgen dat de kabelzoeker correct georiënteerd is, gebruikt u de kompasfunctie.

Zorg er bij het zoeken naar lijnen voor dat de kompasweergave in de noord/zuid-oriëntatie staat.

Zorg er bij het lokaliseren van sondes voor dat het kompas de lijn weergeeft in de positie Oost/West.

Een dieptemeting uitvoeren

Om signaalruis te minimaliseren, moet u het signaal niet via inductie toepassen. Als een directe verbinding of signaalklemmen niet mogelijk is, plaats de zender in inductie dan ten minste 15 m van het punt van een dieptemeting af.

Dieptemetingen zijn niet nauwkeurig als er een hoorbare ruis is of als een deel van het zendersignaal gekoppeld is aan de lijn in de nabijheid.

Als het bevestigen van de piekpositie samenvalt met een nulpositie, geeft dit aan dat de positie geschikt is voor het uitvoeren van een diepteschatting.

Dieptemetingen
  • Stel de locatie van de doellijn nauwkeurig vast met de kabelzoeker
  • Controleer of de kabelzoeker direct boven de lijn is, de antennes op de juiste hoeken staan en de kabelzoeker verticaal is. Pas het gevoeligheidsniveau aan om de indicatie van de balkgrafiek op ongeveer 50% te brengen

Als de grond een sterk veld lijkt uit te stralen, zoals in de buurt van een radiostation, controleer de diepte dan door de onderkant van de antenne 50 mm boven de grond te houden en deze waarde af te trekken van de aangegeven diepte.

Dieptemetingen controleren

Controleer een verdachte of belangrijke dieptemeting door de kabelzoeker 50 mm boven de grond te houden en de meting te herhalen. Als de gemeten diepte stijgt met hetzelfde aantal, dan is dit een goede indicatie dat de dieptemeting juist is.

Als u een geleider of sonde opspoort, moeten dieptemetingen nauwkeurig zijn tot ±3% als de omstandigheden goed zijn. Het kan echter zijn dat u niet altijd weet of de omstandigheden goed zijn. U kunt dan de volgende technieken gebruiken voor het controleren van belangrijke metingen:

  • Controleer of de route van de lijn ten minste 2 meter recht is aan beide zijden van het meetpunt.
  • Controleer of de signaalrespons redelijk constant is over de afstand van 15 meter naar de zender en voer de dieptemetingen aan beide zijden van het originele punt uit.
  • Controleer of er geen aangrenzende lijnen zijn die een duidelijk signaal vervoeren binnen 1 tot 2 meter van de doellijn. Dit is de meest voorkomende bron van een foutieve dieptemeting, omdat een sterk signaal gekoppeld aan een aangrenzende lijn vaak een fout van ±50% kan introduceren.
  • Voer verschillende dieptemetingen uit op punten die licht afwijken van de duidelijke positie van de lijn. De meest ondiepe indicatie is de meest nauwkeurige en geeft ook de positie van de lijn het meest nauwkeurig aan.

Dieptenauwkeurigheid controleren

In deze paragraaf worden verschillende snelle en eenvoudige manieren beschreven voor het controleren van de dieptemeting op de kabelzoeker indien gebruikt voor markeringen of geleiders en sondes binnen acceptabele limieten.

Kijk hierin als u onnauwkeurige dieptemetingen krijgt van een kabel of pijpleiding waarvan u de gemiddelde diepte wilt weten. Onnauwkeurige dieptemetingen kunnen het resultaat zijn van het feit dat de kabelzoeker een sterker signaal opvangt, zoals een andere kabel of pijpleiding die in de buurt van doelleiding loopt.

Er zijn twee manieren om de kalibratie van de kabelzoeker in het veld te controleren. Voor beide methoden moet een zender gebruikt worden:

Methode 1

Plaats de zender op een niet-metalen object, 500 mm hoog of hoger, op de grond en weg van ondergrondse lijnen. Schakel de zender aan in inductiemodus. Houd de kabelzoeker met het blad horizontaal en gericht richting de voorkant van de zender en ongeveer vijf meter van de voorkant van de zender.

  1. Schakel de kabelzoeker in.
  2. Selecteer dezelfde frequentie als geselecteerd op de zender, maar zorg dat deze frequentie in de sondemodus staat.
  3. Beweeg de kabelzoeker van links naar rechts en als de balkgrafiek op de piek staat, noteer dan de diepte als weergegeven op de kabelzoeker. Meet de afstand van de basis van de kabelzoeker tot het midden van de zender met een meetband.
  4. Vergelijk deze meting met de dieptemeting op de kabelzoeker.

De kabelzoeker kan gezien worden als nauwkeurig als het verschil tussen de dieptemeting op de kabelzoeker en de afstand die gemeten is met het meetlint minder is dan 10%.

Method 2

  1. Pas een signaal toe op een kabel of pijpleiding met bekende diepte.
  2. Lokaliseer de kabel of pijpleiding; de diepte wordt automatisch weergegeven op het scherm van de kabelzoeker.
  3. Vergelijk de dieptemeting op de kabelzoeker met de daadwerkelijke diepte.

OPMERKING De nauwkeurigheid van dieptemetingen is onderhavig aan een aantal factoren en dient alleen ter referentie. Wees voorzichtig bij het uitvoeren van graafwerkzaamheden.










Deel dit artikel

Was dit artikel nuttig?
Aantal gebruikers dat dit nuttig vond: 0 van 0

Opmerkingen