Pijpleidingen en kabels opsporen

Volgen

In dit hoofdstuk worden de basisprincipes en technieken uitgelegd van het opsporen van ondergrondse kabels en pijpleidingen met behulp van het RD8200-systeem. Voor meer informatie over de theorie van het lokaliseren van kabels en pijpleidingen, zie De theorie van het lokaliseren van ondergrondse kabels en pijpleidingen dat kan worden gedownload van www.radiodetection.com

Frequenties

De RD8200-zoeker ondersteunt een reeks actieve en passieve frequenties. Hij ondersteunt ook 5 extra door de gebruiker in te stellen frequenties in het bereik van 50Hz tot 999Hz.

Voor een volledige lijst van ondersteunde frequenties, zie de specificaties bij de RD8200-zoeker.

www.radiodetection.com

Passieve frequenties

Bij detectie van passieve frequenties wordt gebruik gemaakt van signalen die al aanwezig zijn op ondergrondse metalen geleiders. De RD8200--zoeker ondersteunt vier soorten passieve frequenties: Voedings-, Radio-, CPS- en CATV-signalen.

U kunt deze frequenties detecteren zonder hulp van een zender als ze aanwezig zijn op de utiliteitskabel die u onderzoekt.

Power Filters™

Met een RD8200-kabelzoeker kan een operator gebruik maken van de harmonische signalen die gevonden worden op stroomnetwerken.

Als er sterke of storende voedingssignalen aanwezig zijn, kan het nauwkeurig traceren van een doelkabel lastig zijn.  Met Power Filters™ kunnen gebruikers vaststellen of een enkel groot stroomsignaal afkomstig is van één bron of van de aanwezigheid van meerdere kabels. De verschillende harmonische eigenschappen van de gedetecteerde leidingen kunnen vervolgens gebruikt worden voor het traceren en markeren van hun route.

Druk in de startmodus op de toets antenna key.png om de gevoelige stroommodus van Radiodetection uit te schakelen en door de vijf individuele stroomfilters te bladeren. 

U kunt door het gebruik van individuele harmonische eigenschappen stroomleidingen lokaliseren in situaties waarin het totale signaal anders te groot is.

Klantspecifieke frequenties

U kunt vijf extra voor u specifieke frequenties instellen in uw kabelzoeker voor gebruik op specifieke netwerken.

Frequenties in het bereik van 50Hz tot 999Hz kunnen ingesteld worden met RD Manager Online.

WAARSCHUWING: Als u gebruik maakt van zelf ingestelde frequenties in het bereik van 692Hz tot 704Hz of 981Hz tot 993Hz, kan de audio van de kabelzoeker de kabelzoeker storen en moet uitgeschakeld worden.

OPMERKING: Sommige frequenties (bijv. 440Hz) kunnen gereserveerd zijn voor specifieke toepassingen in uw land, en kunt u toestemming van de relevante operator(s) nodig hebben voor gebruik ervan.
Neem contact op met uw lokale Radiodetection-verkoper of -distributeur als u hulp nodig hebt bij het opzoeken van deze operators.

 

Zie de handleiding van RD Manager Online voor meer informatie over hoe u klantspecifieke frequenties kunt instellen.

 

Actieve frequenties

Actieve frequenties worden met de zender toepast op een ondergrondse geleider. De zender kan aan de hand van drie methoden een signaal toepassen.

Directe verbinding

In directe verbinding sluit u de uitgang van de zender direct aan op de utiliteitskabel. De zender zet een signaal op de lij, dat u kunt traceren met de kabelzoeker. Dit is de voorkeursmethode voor het toepassen van een zendersignaal op een utiliteitskabel en in de meeste toepassingen wordt een sterker signaal op de utiliteitskabel toegepast, wat de lokalisatieafstand kan vergroten.

Het direct aansluiten van een geleidende utiliteitskabel die niet onder spanning staat:

  1. Schakel de zender uit.
  2. Sluit de directe aansluitklem aan op de accessoireaansluiting in de zender.
  3. Klem de rode aansluitklem op de utiliteitskabel en zorg ervoor dat het gebied rond de aansluiting schoon is zodat er een goede verbinding gemaakt wordt.
  4. Leg de zwarte verbindingsdraad onder een hoek van 90 graden zo ver mogelijk weg en klem hem aan de aardpen of ander geschikt aardingspunt en zorg voor een goede verbinding.
  5. Schakel de zender in.
  6. Op het scherm ziet u het pictogram voor Directe verbinding.

direct connection lead.png

Pictogram Directe verbinding

 

warning icon.pngWAARSCHUWING! Een directe verbinding met onder spanning staande geleiders is POTENTIEEL DODELIJK. Directe verbindingen met geleiders die onder spanning staan mogen alleen gemaakt worden door gekwalificeerd personeel met behulp van de juiste producten die geschikt zijn voor verbinding met lijnen die onder spanning staan.

warning icon.pngWAARSCHUWING! De zender kan potentieel levensgevaarlijke spanning afgeven. Let op bij het gebruik van aansluitklemmen en grondpaal, stel andere monteurs die aan de lijn werken op de hoogte van het gevaar en scherm blootliggende leidingen af om per ongeluk contact te voorkomen.

warning icon.pngWAARSCHUWING! Zorg dat de TX-zender is uitgeschakeld voordat u een verbinding maakt en voordat u de directe verbinding met een dienst verbreekt.

 

Inductie

In deze bedieningsmodus wordt de zender op de grond geplaatst boven of in de buurt van het onderzoeksgebied. Als er geen directe aansluitkabel of zendtang in de zender gestoken is, gaat hij automatisch in inductiemodus. In deze modus zijn alleen frequenties die van toepassing zijn op inductiemodus beschikbaar als de toets frequency key.png wordt ingedrukt.

Als dit gebeurd is, induceert de zender het signaal, ongeacht ondergrondse geleiders in de buurt.

Let erop dat deze signalen ook via de lucht getransporteerd worden en het is aan te raden de afstand tussen de zender en de kabelzoeker ten minste 10 meter te houden - het kan zijn dat deze afstand vergroot moet worden, vooral als er dieptemetingen uitgevoerd worden.

Zendtang

Een optionele zendtang kan op de zender aangesloten worden en rond een kabel of pijpleiding geklemd worden om het zendersignaal toe te passen. Deze methode van het toepassen van het zendersignaal is vooral handig bij geïsoleerde draden die onder stroom staan, dan hoeft de stroomtoevoer op de kabel ook niet afgesloten te worden. Zendtangen zijn verkrijgbaar in een diameter van maximaal 215 mm.

warning icon.pngWAARSCHUWING! Zet geen tangen op niet-geïsoleerde geleiders die onder spanning staan.

warning icon.pngWAARSCHUWING! Voor het plaatsen of verwijderen van een tang rond een voedingskabel, moet u altijd controleren of de tang is aangesloten op de zender.

 

Keuze van de frequentie voor actieve locatie

De keuze van de signaalfrequentie is een belangrijke factor voor het effectief opsporen en identificeren van ondergrondse leidingen en er is geen enkele frequentie die alle omstandigheden dekt. Voor eenvoudige instrumenten die door relatief niet-technisch personeel moeten worden gebruikt, is er geen andere optie dan een compromis te sluiten en een enkele frequentie te kiezen die hoog genoeg is om goede prestaties te leveren in de inductiemodus, maar niet zo hoog dat deze te snel aan ongewenste leidingen wordt gekoppeld. Voor deze toepassingen worden vaak actieve signalen tussen 8 en 33 kHz gebruikt. Voor uitgebreidere apparatuur voor het oplossen van problemen door technisch vaardige technici kan een reeks van frequenties worden voorzien. Typische voorbeelden hiervan en de redenen voor het gebruik ervan worden hieronder geïllustreerd.

 

512Hz.png

512 Hz actief signaal

 

Deze lage frequentie is het nuttigst voor het traceren en identificeren van leidingen over lange afstanden. De frequentie koppelt niet snel aan ongewenste leidingen, maar is te laag voor inductie en valt binnen de band van harmonische interferentie van de netfrequentie.

 

8kHz.png

8 kHz actief signaal

 

Deze middenfrequentie is het meest bruikbare signaal voor algemeen gebruik, hoog genoeg voor inductie, buiten de interferentieband van het stroomnet en met een beperkte koppeling aan gewenste lijnen, maar de frequentie is mogelijk niet hoog genoeg om een sterk signaal aan te brengen op leidingen met een kleine diameter zoals telecomkabels.

 

33kHz.png

33 kHz actief signaal

 

Deze hogere frequentie wordt eenvoudig toegepast op de meeste leidingen door inductie, dus is zeer nuttig voor de eerste zoekactie. De frequentie reist langs een leiding met kleine diameter, maar koppelt snel aan ongewenste leidingen en verliest eerder zijn kracht over kortere afstanden dan lagere frequenties.

100 kHz actief signaal.png

100 kHz actief signaal

 

Dit zeer hoge frequentiebereik is voor de moeilijke gevallen – inductie op leidingen met een kleine diameter in droge zandgrond en korte kabellengtes. De frequentie is zeer eenvoudig toe te passen door inductie, maar koppelt zeer snel aan ongewenste leidingen en reist niet ver.

 

Frequenties selecteren

IHet is belangrijk de juiste of passende frequentie te selecteren voor uw specifieke toepassing. Voor meer informatie zie toepassingsinfo “De theorie van het lokaliseren van ondergrondse kabels en pijpleidingen”, die gratis kan worden gedownload van  www.radiodetection.com

 

Een frequentie op de kabelzoeker selecteren:

  1. Druk op de toets frequency key.png om door de beschikbare frequenties te bladeren.
  2. U kunt ook de toets frequency key.png ingedrukt houden en op de toetsen  up arrow.png en down arrow.pngdrukken om omhoog of omlaag door het frequentiebereik te bladeren.

Als u bij het lokaliseren gebruik maakt van een actieve frequentie, moet u ook uw zender instellen op het uitzenden van dezelfde frequentie.

U kunt de uitgangsfrequentie van uw zender handmatig aanpassen met behulp van het toetsenbord op uw zender, of automatisch met behulp van iLOC (alleen zenders met Bluetooth).

 

Handmatig een uitzendfrequentie voor de zender selecteren:

  1. Druk op de toets frequency key.png om door de beschikbare frequenties te bladeren.

OPMERKING: Voor sommige frequenties moet u een accessoire aansluiten, bijvoorbeeld een A-Frame, voordat de frequentie beschikbaar is.

 

Antennemodi

Het RD8200-systeem ondersteunt vijf antennemodi, exclusief gericht op het lokaliseren van kabels en pijpleidingen, en aangepast op uw specifieke toepassing en lokale omgeving. Dit zijn:

  • Piekmodus
  • Piek+-modus
  • Begeleide modus
  • Brede piekmodus
  • Nulmodus

 

Piekmodus

Piekmodus biedt de meest gevoelige en nauwkeurige modus voor lokalisatie en dieptemeting. Hij biedt een scherpe piekrespons met een corresponderende kleine daling in gevoeligheid. Piekmodus kan niet uitgeschakeld worden in het menu.

In piekmodus worden de volgende indicatoren op het scherm weergegeven:

  • Diepte
  • Stroom
  • Signaalsterkte
  • Kompas

Piekmodus selecteren:

  1. Druk op de toets antenna key.png tot het pictogram van de piekmodus peak mode.png op het scherm wordt weergegeven.

OPMERKING: De diepte- en stroomwaarden worden automatisch weergegeven, hoewel deze waarden pas nauwkeurig zijn als de kabelzoeker direct boven de doellijn is.

 

Peak+™-modus

Piek+™-modus is een combinatie van de nauwkeurigheid van de Piek-balkgrafiek en een keuze aan de Geleide- of Nul directionele pijlen.

Geleidepijlen geven een visuele indicatie van de richting naar de doelvoorziening, en zijn bedoeld om u sneller in de buurt van de piekpositie te krijgen, voordat u de piek-balkgrafiek gebruik om de exacte locatie van de doelleiding vast te stellen.

Met de nulpijlen kunt u controleren op storing voordat u een punt maakt, en deze moeten gebruikt worden als er nauwkeurige metingen vereist zijn.

 

Schakelen tussen pijltypes:

Druk in Piek+-modus op de toets en houd deze ingedrukt antenna key.pngom te wisselen tussen geleide- en nulpijlen.

U kunt ook de standaardpijl in het kabelzoekermenu selecteren:

  1. Druk op de toets power key.pngom het menu te openen.
  2. Blader naar het menu ARROW behulp van de toets up arrow.png of down arrow.png.
  3. Druk op de toets antenna key.png om het menu ARROW te openen.
  4. Selecteer NUL GUIDE met de toetsen up arrow.png en  down arrow.png.
  5. Druk tweemaal op de toets frequency key.png om terug te keren naar het hoofdscherm.

Bij gebruik van de geleidepijltjes:

Gebruik de proportionele pijltjes om de kabelzoeker langs het pad van de doelkabel of -leiding te sturen. Om het middelpunt van de doelvoorziening nauwkeurig te lokaliseren, bijvoorbeeld om een punt te markeren of een onderzoeksmeting te doen, gebruikt u de piek-balkgrafiek om de exacte locatie in piekmodus vast te stellen.

Bij gebruik van de nulpijltjes:

Gebruik de pijlen om de kabelzoeker boven het NUL-punt te plaatsen. Als de piekrespons niet een maximum is, dan duidt dit op een verstoord veld. Als de piekrespons op het maximale niveau is waar het NUL-punt gelokaliseerd kan worden, dan is er geen of heel beperkte vervorming aanwezig.

 

In piek+-modus worden de volgende indicatoren op het scherm weergegeven:

  • Pijl naar links en rechts.
  • Signaalsterkte
  • Kompas
  • Stroom
  • Diepte

Piek+-modus selecteren:

  1. Druk op de toets antenna key.png tot het pictogram Peak+ mode.png van de piek+-modus op het scherm wordt weergegeven.

 

Begeleide modus

Begeleide modus biedt goede prestaties in verstoorde velden en biedt drie indicatoren om de gebruiker naar de doellijn te begeleiden.

De proportionele pijlen naar links en rechts worden korter als de kabelzoeker dichter bij het doel komt, en de doelpositie-indicator verplaatst zich naar de centrale positie. De signaalsterktemeting bereikt ook de maximale waarde als de kabelzoeker boven het doel geplaatst wordt.

Iedere afwijking van alle drie indicatoren laat zien dat de doelpositie in dezelfde locatie kan wijzen op de aanwezigheid van een verstoord veld.

In Begeleide modus worden de volgende indicatoren weergegeven:

  • Proportionele pijl naar links en rechts.
  • Doelpositie-indicator
  • Signaalsterkte
  • Versterking
  • Kompas
  • Stroom
  • Diepte

Begeleide modus selecteren:

  1. Druk op de toets antenna key.png tot het pictogram van de begeleide modus op  guidance mode.png het scherm wordt weergegeven.

 

Brede piekmodus

In brede piekmodus gebruikt de RD8200-kabelzoeker een enkele antenne om met hogere gevoeligheid te detecteren over een breder gebied dan piekmodus. Dit is vooral handig voor het snel en nauwkeurig lokaliseren van diep gelegen voorzieningen. In brede piekmodus worden de volgende indicatoren op het scherm weergegeven:

  • Diepte
  • Stroom
  • Signaalsterkte
  • Kompas

Brede piekmodus selecteren:

  1. Druk op de toets antenna key.pngtot het pictogram van de brede piekmodus op broad peak.png het scherm wordt weergegeven.

 

Nulmodus

De nulmodus wordt gebruikt om een lokalisatiesignaal te controleren in omgevingen met beperkte of geen ruis of storingen. Nulmodus geeft een nulrespons als hij direct over een lijn staat.

In nulmodus worden de volgende indicatoren op het scherm weergegeven:

  • Pijl naar links en rechts.
  • Kompas.
  • Pijl naar links en rechts.

 

Nulmodus selecteren:

  1. Druk op de toets antenna key.pngtot het pictogram  null icon.png van de nulmodus op het scherm wordt weergegeven.

De scherpe nulrespons kan eenvoudiger te gebruiken zijn dan de piekrespons, maar is gevoelig voor ruis en mag niet gebruikt worden voor lokaliseren, met uitzondering van gebieden waar geen ruis aanwezig is.

Geleidemodus biedt betere prestaties in dergelijke omstandigheden en Piek+-modus kan de piek-balkgrafiek combineren met geleidepijltjes voor snel en nauwkeurig lokaliseren.

 

Kompas

Het LCD-kompas biedt een visuele indicatie van de richting van de doelkabel, -pijpleiding of -sonde. Het kompas is beschikbaar voor alle frequenties, met uitzondering van Voeding, Radio en Passief.

Traceren

Lijntracering kan versneld worden door de kabelzoeker in de geleidemodus te zetten.

Beweeg de kabelzoeker van links naar rechts en wandel langs het pad van de lijn om de doelpositienaald direct boven de lijn te plaatsen. Als u met de kabelzoeker over de lijn beweegt, geven de pijlen naar links en rechts (en de daarbij behorende geluiden) aan of de doellijn zich links of rechts van de kabelzoeker bevindt.

Exacte locatie vaststellen

Door het lokaliseren van een doellijn in piek- of piek+-modus legt u nauwkeurig de positie van een doellijn vast nadat deze getraceerd is en de positie ongeveer bekend is. Begin met gemiddelde uitvoervoeding van de zender, gemiddelde frequentie op de zender en kabelzoeker en piek- of piek+-modus op de kabelzoeker.

Stel de gevoeligheid van de kabelzoeker in op ongeveer 50% door op de toetsen  up arrow.png en down arrow.pngte drukken.

LET OP: het kan nodig zijn het gevoeligheidsniveau aan te passen tijdens het lokaliseren om de balkgrafiek op schaal te houden.

  1. Met de antenne loodrecht op de lijn, maakt u kruislingse bewegingen over de lijn. Stel het punt van maximale respons vast.
  2. Zonder de kabelzoeker te bewegen, draait u hem rond als op een spil. Stop op het punt van maximale respons.
  3. Houd de kabelzoeker verticaal met de antenne net boven de grond en verplaats de kabelzoeker van de ene kant naar de andere over de lijn. Stop op het punt van maximale respons.
  4. Met het einde van de antenne in de buurt van de grond, herhaalt u stap 2 en 3.
  5. Markeer de positie en richting van de lijn.

Herhaal de stappen van de procedure om de nauwkeurigheid te verhogen.

Als u de modus Piek+ gebruikt, schakel dan naar nulpijltjes door de toets antenna key.png ingedrukt te houden. Schakel anders naar de nulantennemodus.

Beweeg met de kabelzoeker om de nulpositie te vinden. Als de positie van de piek- en nulposities overeenkomen, kan aangenomen worden dat de locatie nauwkeurig is vastgesteld. De locatie is niet precies als de markeringen niet overeenstemmen, maar beide markeringen tonen een fout aan dezelfde kant. De echte lijnpositie is in de buurt van de piekpositie. De lijn ligt op de helft van de afstand van de andere zijde van de piekpositie, door de afstand tussen de piek- en nulpositie.

 

pinpointing with peak and null.png

De exacte locatie van een doellijn zoeken

 

pinpointing.png

Exacte positie vaststellen met Piek- en nulindicatoren

 

Zwaaien en zoeken

Er zijn een aantal technieken voor het lokaliseren van onbekende lijnen in een gebied. Het gebruik van deze technieken is vooral van belang voordat u graafwerkzaamheden gaat uitvoeren om te zorgen dat er geen ondergrondse leidingen beschadigd worden.

Passieve zoekfunctie

De passieve zoekfunctie wordt gebruikt voor het opsporen van Stroom-, Radio-, CATV- of CPS-signalen die uitgestraald kunnen worden door ondergrondse geleiders.

Passief zoeken:

  1. Druk op de toets frequency key.png om de passieve frequentie te selecteren die u wilt opsporen. U kunt kiezen uit de volgende passieve frequenties:
      • Elektra
      • Radio
      • CATV (kabeltelevisie)
      • CPS (Cathodic Protection System - Kathodisch beschermingssysteem)
      • PASSIV (detecteert tegelijkertijd stroom- en radiosignalen waar aanwezig)
  2. Pas de gevoeligheid naar maximaal aan; verlaag de gevoeligheid om de balkgrafiek op schaal te houden als er een respons is.
  3. Doorkruis het gebied in een raster, loop regelmatig en houd de kabelzoeker comfortabel vast met de antenne in lijn met de beweegrichting in een rechte hoek op lijnen die gekruist kunnen worden.

 

passive sweep.png

Passieve zoekfunctie

 

Stop als de respons van de kabelzoeker stijgt, om de aanwezigheid van een lijn te signaleren. Lokaliseer de lijn en markeer de positie. Traceer de lijn uit het gebied dat onderzocht wordt. Ga weer verder met de zoektocht in rastervorm in het gebied.

In sommige gebieden kan er een verwarrende hoeveelheid aan 50/60Hz voedingssignalen aanwezig zijn. Til de kabelzoeker 50mm van de grond en blijf heen en weer bewegen, of gebruik de toets antenna key.png om van voedingsmodus te schakelen en de Power Filters te gebruiken om individuele lijnen te kunnen onderscheiden.

Schakel de kabelzoeker naar de radiomodus. Verhoog de gevoeligheid naar maximaal en herhaal bovenstaande onderzoeksprocedure in rastervorm in het gebied. Lokaliseer, markeer en traceer elke gevonden lijn.

In de meeste, maar niet alle, gebieden, kunt u met radiomodus lijnen lokaliseren die geen voedingssignalen afgeven. Er dient een rasteronderzoek uitgevoerd te worden in zowel stoommodus als als radio, of in Passieve vermijding (radio en stroom gelijktijdig).

 

Inductief onderzoek

Een inductief onderzoek biedt meer zekerheid bij het opsporen van onbekende leidingen. Voor dit soort onderzoeken is een zender, een kabelzoeker en twee mensen nodig. Dit soort onderzoek wordt ook wel een 'tweepersoonsonderzoek' genoemd. Voordat u het onderzoek start, stelt u het gebied vast dat onderzocht moet worden en de mogelijke richting van de lijnen die door het gebied lopen. Controleer of de zender is ingeschakeld in inductiemodus.

 

inductive search.png

Inductief onderzoek

 

De eerste persoon bedient de zender en de tweede persoon bedient de kabelzoeker. De zender induceert een signaal op de lijnen terwijl hij erover heen gehaald wordt. De leidingen worden vervolgens door de kabelzoeker gedetecteerd op geschikte afstand van de zender (ongeveer 15 meter, hoewel dit afhankelijk is van het gebruikte niveau van inductievoeding).

Houd de zender in de lengte vast langs de vermoedelijke richting van eventuele lijnen.

De tweede persoon houdt de kabelzoeker aan het begin van het te doorzoeken gebied vast en met de antenne in rechte hoeken op de mogelijke richting van de ondergrondse leidingen. Stel de gevoeligheid van de kabelzoeker zo hoog mogelijk in zonder dat de kabelzoeker signalen in de lucht direct van de zender opvangt.

Als de zender en kabelzoeker in lijn zijn, gaan beide uitvoerders zich parallel aan elkaar naar voren bewegen. De uitvoerder met de kabelzoeker zwaait hem van achter naar voor en houdt de kabelzoeker verticaal, terwijl hij zich parallel aan de zender verplaatst. Bij deze methode is rekening gehouden met niet optimale uitlijning van de zender, kabelzoeker en ondergrondse leiding.

De zender brengt het sterkste signaal over op de leidingen die er direct onder liggen en welke vervolgens opgespoord worden met de kabelzoeker. Beweeg de zender van de ene zijkant naar de andere om het hoogste signaal te bereiken, wat aangeeft dat de zender zich ook direct boven de leiding(en)) bevindt.

Markeer de grond op het punt van ieder pieksignaal dat met de kabelzoeker gedetecteerd is. Herhaal de zoektocht langs andere mogelijke lijnpaden. Als de posities van lijnen gemarkeerd zijn, wissel dan van positie, plaats de zender boven en langs iedere lijn en traceer de lijn tot buiten het onderzoeksgebied.

Uitnullen

Soms is het mogelijk dat leidingen worden gemaskeerd door andere leidingen, wat kan gebeuren wanneer een of meer leidingen zich dicht bij elkaar bevinden of wanneer sterkere signalen kunnen uitstralen.  In bepaalde toepassingen en in drukke gebieden maakt de ‘uitnul’-techniek het mogelijk om het inductiesignaal direct onder de zender te elimineren, maar tegelijkertijd het zendersignaal naar andere nabijgelegen leidingen te sturen die eerder niet konden worden gelokaliseerd.

 

nulling out.png

Uitnuleffect

 

Uitnultechniek voor twee personen:

  1. Plaats de zender dicht bij de leidingen die u wilt traceren (hiervoor kan een parallelle beweging worden gebruikt), zoek met de zoeker op een afstand van ongeveer 10m/30' van de zender en bepaal het sterkste signaal.
  2. Op de zoeker wordt de gevoeligheid zo aangepast dat de staafdiagramreactie ongeveer 75% is
  3. Laat de zijsteunarm los.
  4. Met de zoeker boven het midden van het signaal moet de tweede persoon de zender op taillehoogte houden, met de zender op zijn kant – laat de steunarm los, zodat deze omlaag wijst.
  5. De zender wordt dan verplaatst van links naar rechts om de nulpositie tussen twee detecteerbare signalen te vinden; laat de zender zakken richting de grond en houd deze op de nulpositie.
  6. Op grondniveau zoeken we idealiter een ‘nul’ die niet breder is dan 50 mm/2" (de gevoeligheid op de zoeker moet mogelijk worden aangepast om dit te bereiken).
  7. Met de zender links op de grond op de nulpositie. De zoeker wordt gebruikt om te controleren op andere signalen aan weerszijden van het ‘genulde’ signaal.
  8. Als de grond oneffen is, kan de zender over de lijn van de leiding worden gedraaid, mits de steunarm omlaag blijft wijzen. (Dit verbetert de stabiliteit van het apparaat).

 

Uitnultechniek voor één persoon:

 

one person sweep.png

Uitnullen – één persoon

 

  1. Leg de zender op zijn kant met behulp van de zijsteunarm.
  2. Zoek het gebied rond de zender af met de ontvanger op minimaal 10 m/30' afstand.
  3. Plaats de zender met intervallen van 5 m/15' rondom het gebied en herhaal stap 2.
  4. Stop wanneer er een respons is.
  5. Bepaal en markeer alle lijnen.
  6. Traceer de lijnen uit het gebied.

 

 

 

Deel dit artikel

Was dit artikel nuttig?
Aantal gebruikers dat dit nuttig vond: 0 van 0

Opmerkingen